Ontstaan en geschiedenis van de Biesbosch
Op 18 november 1491 stortte het water zich tijdens de St. Elizabethsvloed in de toendertijd zo machtige polder de Zuid-hollandse Waard, op de plaats waar nu de Moerdijjkbruggen liggen. In de binnenzee die toen ontstond vielen ongeveer 17 dorpen en vele boerderijen aan het water ten offer. Daar waar de Rijn en Maas echter steeds zand en klei bleven aanvoeren, werd deze binnenzee langzaam opgehoogd en ontstond ' de Biesbosch'. De oorspronkelijke binnenzee had een grootte van ongeveer 40:000 ha. Door deze opslipping was het mogelijk riet en biesvelden aan te leggen. Hierdoor werden deze plaaten nog hoger en was het mogelijk wilgehout te planten. Dit hout werd gebruikt om er o.a. manden van te vlechten, terwijl veel rijshout werd gebruikt voor het beschermen van dijken. Later werden er dijkjes om deze grienden gelegd en ontstonden de z.g. graspolders. Deze polders liepen echter bij zeer hoge waterstand onder water.
Hierdoor fungeerden zij als 'veiligheidsklep' voor o.a. Dordrecht, dat daardoor minder door het hoge water (stormvloeden) werd bedrijgd. Door deze opslippingen werd de oorsponkelijjke Biesbosch teruggebracht tot ongeveer 5000 ha, waterrijk gebied, dat in de hoofdzaak in de Brabantse Biesbosch is gelegen.
Teneinde de drinkwatervoorziening veilig te stellen, heeft men in de voormalige polders Petrusplaat, Honderd en Dertig en de polder de Gijster grote spaarbekkens ingericht. Het water dat daarin wordt opgeslagen is grotendeels water van de rivier de Maas. Dit water is aanzienlijk minder vervuild dan het uit Duitsland en Frankrijk afkomstige Rijnwater.